In het juninummer van Schrijven Magazine stond een artikel van mijn hand over personagenamen. Als je als lezer een roman begint te lezen zijn het vaak de namen van de hoofdpersonages die meteen een beeld oproepen en een sfeer neerzetten. Voor de meeste auteurs is die naam echter geen vanzelfsprekendheid, maar een sleutel tot de identiteit van hun fictieve figuren. Ik interviewde schrijvers Rob van Essen en Jeroen Olyslaegers die een inkijkje in hun eigen, soms onconventionele werkwijze gaven bij het bedenken van personeelsnamen.
Hieronder het artikel:
Het kiezen van een naam hoort tot de allereerste bouwstenen van een verhaal, zegt Rob van Essen. ‘Een naam is voor mij het sluitstuk van het personage‑ontwerp. Zodra die naam vaststaat, kan het avontuur beginnen.’ Voor Van Essen is de naam niet zomaar een verwisselbaar etiketje, maar een element dat de lezer onbewust al een stap verder leidt in de wereld van zijn unieke verhaal. Het veranderen van een naam, zelfs van een bijfiguur, kan zelfs het hele karakter van het personage en zelfs het verloop van het verhaal veranderen. ‘Ik herinner me dat ik in een bepaalde roman een naam van een bijfiguur moest veranderen, omdat die te veel leek op een naam van een hoofdpersoon. Ik dacht: dat is te verwarrend. Laten we zeggen dat het een Ina was die een Marijke moest worden. Maar een Marijke is heel iets anders dan een Ina. Dan was het een heel andere vrouw geworden. Kilo zwaarder of lichter, of een andere kleur haar, dat soort dingen. Het is onwillekeurig, dan heb je toch een beeld bij een naam. Dus die kan je niet zo ongestraft veranderen.’
Hetzelfde principe hanteert de bekende Vlaamse schrijver Jeroen Olyslaegers, die openlijk toegeeft dat hij ‘altijd problemen met het vinden van namen van personages’ heeft. Hij twijfelt daarom bij elk personage over een ‘miljoen andere’ alternatieven voordat hij de definitieve keuze maakt. ‘Bij Wilde Vrouw heb ik personages Beer en Wart en Margreet genoemd’, zegt Olyslaegers. ‘Dat zijn allemaal betekenisvolle namen, en dat is voor mij de minst slechte ordening. De slechtste oplossing is als je lukraak kiest.’ Een goede naam moet volgens hem resoneren ‘met de volstrekte normaliteit van een historisch personage’.
Klankverschillen
Van Essen kiest voor zijn hoofdpersonages een relatief neutrale naam, zodat ze niet afleiden of te melig overkomen. De lezer moet zich immers vooral op het verhaal en de gebeurtenissen concentreren, en niet telkens struikelen over buitenissige namen. ‘Als je een Roderick of een Joachim verzint, dan moet je dat ook willen. Want dat is zwaar beladen.’
Bij bijfiguren daarentegen ziet hij ‘meer ruimte voor humoristische of opvallende namen’, zoals de scheidsrechtersnamen in zijn roman Visser: namen als Weegereef, Havercourt, Braamhaar. ‘In Visser had je een heleboel bijfiguren. Hoe moet ik die allemaal een naam geven, dacht ik. Ik keek toen naar Studio Sport elke zondag en daarin kwamen enkele opvallende scheidsrechtersnamen voorbij.’ Geen van de recensenten – behalve een – merkten het op (‘de literaire wereld en de voetbalwereld liggen toch wel redelijk ver uit elkaar’), maar sommige lezers wel en die zagen – grappig genoeg – er meteen ook symboliek in.
Olyslaegers waarschuwt voor namen die ‘te dicht bij elkaar liggen qua klank’. Dat is een valkuil die hij zelf al heeft ervaren. Namen moeten qua klank uit elkaar liggen, zodat je niet een Marijke naast een Marieke krijgt. ‘Soms let je daar niet helemaal op, en dan kom je er later achter dat die klanken toch bij elkaar liggen. Dan zie je dat je er toch wat gemakkelijk over heb gedacht.’ Zijn personage ‘Venijnig baardje’ heette bijvoorbeeld eerst Verschaffen. ‘Die naam was eigenlijk helemaal niet belangrijk. En aanpassen dat doen heel veel schrijvers.’
Van telefoonboek naar intuïtie
Beide schrijvers gebruiken hulpmiddelen om goede namen te vinden. Van Essen ‘verzint namen ter plekke, soms met behulp van online lijsten of telefoonboeken’. En hij ‘vermijdt namen van mensen die hij kent’, om verwarring te voorkomen. Een opvallende observatie van Van Essen is dat lezers vaak symboliek in namen zien die hij daar zelf niet heeft ingelegd. Voor hem is dat een bonus die ‘resoneert met onbewuste lagen in het creatieproces’. Een voorbeeld is de achternaam ‘Visser’ in zijn gelijknamige roman. ‘Ik had gewoon een goed bekkende achternaam, Jacob Visser. Ik denk dat klinkt wel goed.’ Maar onbewust suggereerde die naam natuurlijk ‘visser van mensen’.
Olyslaegers werkt juist met een meer intuïtieve benadering: ‘Voor elke naam kun je een miljoen andere verzinnen, maar het beste is de naam die in één keer invalt.’ Verder heeft Olyslaegers een opvallende voorkeur voor W-klanken, zoals zijn romans Wij, Winst, Wil, Wildevrouw, Willem, Willem en mijn wellust en De wonderen. ‘Ik vind dat een hele dubbelzinnige letter. Double V. Tweeledigheid.’
In Wil is de hoofdfiguur Wilfried Wils, een Antwerpenaar die terugblikt op zijn ervaringen tijdens de nazi‑bezetting; andere belangrijke personages zijn onder meer Lode Metdepenningen, Yvette Metdepenningen en Felix ‘Nijdig Baardje’ Verschaffel. Zo’n naam als ‘Lode’ heeft een speciale betekenis voor hem. ‘Een loden jas is uiteraard zo’n groene jagersjas. Mijn grootmoeder wilde mij zo’n loden koop, maar ik was een ouderwetse jongen op m’n twaalfde, conservatief. Het was een degelijke jas. Dat reflecteert ook op het personage. Maar dat is heel persoonlijk. Dat zijn associaties.’
Probleem voor Olyslaegers is dat alles is doordrongen van betekenis, in de ogen van de lezer. ‘Daarom kan ik soms ook met enig afgrijzen kijken wat mijn collega’s doen op het gebied van naamgeving. Omdat het soms zo té metaforisch of té gezocht is. Ik ben daar zelf nogal gevoelig voor.’
Het beste, zo stelt hij, is een naam die je in een keer invalt. ‘Dat had ik met Wil, dat had ik daarna met Wilfried, en dat heb ik ook met Amondien. De rest is dan nog flink nadenken, maar dan is er een begin.’
Namenboek
Ondanks hun verschillende benaderingen vinden beide schrijvers het nuttig om een soort ‘namen‑bibliotheek’ bij te houden. Van Essen heeft geen fysiek boekje, maar noteert interessante vondsten ter plekke. Olyslaegers heeft een soort namennotitieboek dat hij ‘bij het schrijven’ bijhoudt.
En wat als de naam van je personage een werkelijk bestaande naam is? Krijg je dan geen boze telefoontjes of brieven van advocaten. Dat blijkt mee te vallen. ‘Natuurlijk zijn er Jacob Vissers’, zegt Rob van Essen. ‘Dat kan niet anders. Sterker nog, ik laat Jacob Visser in het boek z’n eigen naam googlen. Dat heb ik zelf ook gedaan en dan kom je inderdaad heel wat Jacob Vissers tegen. Een paar echte Jacob Vissers worden in het lijstje ook genoemd. Zo kun je daar mee spelen.’
Kaders
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963) is een veelzijdige Nederlandse schrijver, vertaler en recensent die bekend staat om zijn scherpzinnige, vaak melancholische proza. Zijn roman Visser (2008) behaalde een plaats op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, waarna hij met de verhalenbundel Hier wonen ook mensen (2014) de J.M.A. Biesheuvelprijs won en eveneens genomineerd werd voor de ECI Literatuurprijs . In 2019 ontving hij de Libris Literatuurprijs voor de roman De goede zoon en in 2024 voor Ik kom hier nog op terug. Naast het absurde combineert hij een droge, soms macaber, humoristische toon met psychologisch scherpzinnige karakterportretten. De sfeer is vaak melancholisch of dromerig. De structuur van zijn vertellingen is niet altijd strikt lineair – hij legt nadruk op een efficiënte tijdsstructuur die het verhaal een ‘bingewatch‑achtige’ voortdrift geeft – maar de algehele leeservaring blijft pakkend en vaak grensverleggend tussen het alledaagse en het fantastische.
Jeroen Olyslaegers (geboren 1967) is een Vlaamse schrijver die naast columns en toneelstukken vooral bekend staat om zijn strak gecontroleerde proza, krachtige, bijna filmische dialogen en een uitgesproken maatschappelijke betrokkenheid – hij kreeg in 2014 de Ark‑prijs voor Vrije Woord voor zijn kritische engagement. In recent werk zoals Wil (2016) onderzoekt hij de morele duisternis van het leven onder nazi‑bezetting in Antwerpen, terwijl De wonderen (2025) zich afspeelt in het laat‑19e‑eeuwse Antwerpen en thema’s als vrijheid, occulte fascinatie en de spanning tussen medeplichtigheid en machteloosheid verkent. Samen maken zijn literaire scherpzinnigheid, sociaal commentaar en historisch verhalende kracht Olyslaegers tot een opvallende stem in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur.
Vijf praktische tips voor het bedenken van persoonsnamen
Begin met een karakterschets
Denk eerst na over de leeftijd, afkomst, sociale laag en het temperament van je personage. Een jonge, stedelijke hacker krijgt bijvoorbeeld een kort, modern klinkende naam (Sven, Maya), terwijl een oudere boer uit een landelijke omgeving beter past bij een meer traditioneel of regionaal klinkende achternaam (De Vries, Peeters).
Gebruik klankpatronen om persoonlijkheid te suggereren
Hardere medeklinkers (‑k, ‑t, ‑s) geven een strakke, soms agressieve indruk (Katrijn, Rutger), terwijl zachtere klinkers en vloeibare medeklinkers (‑m, ‑l, ‑r) een zachtere, meer vriendelijke sfeer oproepen (Madelief, Lotte). Laat de klank van de naam resoneren met de innerlijke stem van je personage.
Combineer bekende en onbekende elementen
Vermijd alleen alledaagse of alleen exotische namen. Een mix van een gangbare voornaam met een minder gebruikelijke achternaam (bijvoorbeeld: Emma Van den Broeck) voelt zowel herkenbaar als onderscheidend aan. Dit maakt de naam memorabel zonder geforceerd te klinken.
Controleer culturele en historische consistentie
Zorg dat de naam past bij de tijdsperiode en de culturele achtergrond van het verhaal. Een 19e‑eeuwse Vlaamse boer zou bijvoorbeeld niet ‘Jackson’ heten. Een snelle check in een genealogiedatabase of een historisch naamregister voorkomt onbedoelde anachronismen.
Test de naam in dialoog
Lees de naam hardop in verschillende zinnen en situaties (bij een ruzie, een liefdesverklaring, een formele brief). Een naam die gemakkelijk uit te spreken is en goed werkt in zowel korte als lange zinnen blijft vloeiend en voorkomt dat de lezer struikelt over een onhandig klinkende constructie